Peet's (Eredi)Visie - Column 22 - 13 april 2020

Ook zo genoten van de EC-finales op Ziggo Sport afgelopen week? Persoonlijk heb ik mij vermaakt met die van Feyenoord (tegen Celtic uiteraard, van 6 Mei 1970), maar na die eerste 20 minuten Ajax-Panathinaikos (uit 1971, in het oude prachtige Wembley-stadion) de dag erna had ik toch zoiets van: hoe lang gaat dit nog duren? De eerste schitterende goal van Dick van Dijk, op aangeven van Piet Keijzer na die geweldige ‘ schaar ’ op links, was toen gelukkig al gevallen. De tweede, het afstand- schot van Arie Haan....die heb ik al niet meer gezien.

 

Ondanks het vaak, volledig terechte, bewierookte spel van de Ajacieden uit die jaren kon ik mij er niet meer toe zetten om de wedstrijd uit te zitten. En ik had mij nog zo voorgenomen dat wel te doen! De tweede finale van Ajax, die tegen Inter Milaan in de Kuip uit 1972, had ik overigens al wel ettelijke jaren eerder helemaal uitgekeken. Dus die hoefde ik sowieso niet een tweede keer te bekijken. Ik wil maar zeggen, blijkbaar moet je toch wel club-supporter zijn om ook voor die stokoude wedstrijden echt te gaan zitten. En indachtig die houding had ik de finale van 1969, Ajax tegen Milaan, ook al na een paar minuten aan mij voorbij laten gaan. Het verlies, met 4-1, was mij al bekend uiteraard. Daarbij kwam nog de niet al te beste beeld- en geluidskwaliteit. Iets wat trouwens bij al deze bewaard gebleven registraties (geleend van o.a het Italiaanse RAI UNO!) het euvel was. Toch iets wat dan ook niet het kijkplezier bevordert.

 

Kortom, ik liet ook die van Ajax uit 1973 tegen Juventus in Sofia, Bulgarije, PSV tegen Benfica uit 1988 in Stuttgart en die van Ajax tegen AC Milan uit 1995 in Wenen (in het Ernst Happel-stadion!) aan mij voorbij gaan. Die laatste had ik, zoals ook door mij vorige week genoemd, toen al live gezien dus...

 

Afijn, het blijft allemaal behelpen in deze alsmaar voortdurende voetbal-loze periode. Moge het echt allemaal maar niet te lang meer gaan duren. En ik heb daar ook zo mijn eigen gedachten over maar oké, daar zal ik u voor dit moment niet mee vermoeien.

 

Toch vind ik het dan wel weer leuk om docu’s over voetbal te kijken. Mits met liefde en toewijding gemaakt. Oh ja, over (voetbal)boeken gaan we het zeker ook vandaag nog hebben. Nou ja, laat ik dat nu gelijk combineren!

 

In de periode dat Ajax de wereld verbaasde, verwonderde en verblijdde met hun vaak spectaculaire spel kwamen er twee mooie portretten over JC. Johan Cruijff dus. Eerst is daar de, misschien nog wel meest bekende, biografie door Nico Scheepmaker “Cruijff, Hendrik Johannes, Fenomeen“ uit 1972.

 

Hoewel, gemeten naar de huidige tijd, natuurlijk allang niet meer volledig, is het boek voor fans nog steeds een must. Maar dan wel voor de meest devote, kritiekloze onder hen, want het boek leest als een hagiografie. En daar moet je van houden. Ik verkies een andere benadering, maar ieder zijn meug. Ja toch? Een jaar later kwam de film “ Nr.14 “ uit. Deze film, geregisseerd door Trouw-Journalist Maarten de Vos, kwam uit in 1973 en behandelt het meest succesvolle jaar uit de Ajax-geschiedenis, 1972. En dit voornamelijk aan de hand van een portret van hun beroemdste en beste speler, Johan Cruijff dus. Ook dit is duidelijk een ego-document, maar op de één of andere manier kan ik hier toch met plezier naar kijken.

 

Voornamelijk uiteraard vanwege de beelden, vaak in slow-motion, van de onnavolgbare oogstrelende acties van de in Betondorp (Amsterdam) geboren voetbal-tovenaar. Daar kun je, zelfs als fanatiek Feyenoorder die ik ben, toch ontzettend van genieten. De privé-beelden van Cruijff met zijn gezin, met begeleidend commentaar van hemzelf, boeien mij dan weer minder, maar over het algemeen is deze film nog steeds zeer de moeite van het kijken waard. En het feit dat deze film ook nog gemaakt werd in het jaar dat Ajax alles won wat er te winnen viel, ook daarom is het voor de fans een mooi tijdsbeeld. In het kalender jaar 1972 behaalde Ajax het landskampioenschap en won het de KNVB-beker, Europacup 1, eerste editie van de (Europese) Supercup en de Wereldbeker. Een prestatie van formaat die door geen enkele Nederlandse club is geëvenaard (al kwam PSV in 1988 dichtbij maar het bleef bij de ‘treble’, oftewel EC 1, KNVB-beker en landstitel).

 

Mooie documentaires die ik ook de moeite waard vind en van harte aanbeveel zijn, om er een paar te noemen:

 

-En un Momento Dado van Ramon Gieling uit 2004, over Cruijff’s jaren in Barcelona. De eerste periode, als speler in de jaren 1973 tot en met 1978 en dan zijn trainers-jaren aldaar, van 1988 tot en met 1996. Het laat ook, en vooral, zien wat hij daarbij losmaakte bij de Barca-supporters. Enig minpuntje: Het interview met en de beelden van Cruijff met bal op een grasveldje ten tijde van het maken van de film. Dat had van mij niet gehoeven. Het haalt de zo mooi getoonde mystiek van de devotie bij zijn fans voor Cruijff, die hem haast als een mythisch figuur beschouwen, een beetje weg. Maar het is begrijpelijk dat Gieling de kans om Cruijff te interviewen niet wilde missen. Verder zeker waard om eens te gaan zien.

 

-Once in a lifetime, van Paul Crowder en John Dower uit 2006, over de club New York Cosmos. De opkomst en ondergang van deze beroemdste club uit de eerste periode van het betaalde voetbal in de VS. Een fascinerend portret van de club in de tijd van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig en de beroemde spelers die het in verschillende jaren onder contract had. Zoals Péle, Beckenbauer en ja, ook Johan Cruijff. Goed geregisseerd, vol met prachtige beelden van de sterren op en buiten het veld en met een duidelijk te volgen narratief.

 

-Take the Ball, Pass the Ball, van Duncan McMath uit 2018. Deze rolprent behandelt de recente, zeer succesvolle, periode van FC Barcelona in het Spaanse èn Europese voetbal. Met terugblikken naar de (daar is tie eens te meer) Cruijff-periode en hoeveel zijn voetbal-filosofie van blijvende invloed is gebleken. Mooie film met veel bekende koppen (met succes-trainer Jossep ‘Pep’ Guardiola voorop).

 

-Diego Maradona-Rebel, hero, hustler, god, van Asif Kapadia (ook bekend van zijn docu’s over Ayrton Senna en Amy Winehouse). De titel maakt het meteen al duidelijk: dit is een portret van één van ’s werelds beste voetballers aller tijden in al z’n facetten. Van jonge veelbelovende junior-speler uit de sloppenwijken van Buenos Aires naar de gevierde ster in met name Italië en als international. In welke hoedanigheid hij met het Argentijnse elftal de wereldtitel veroverde in 1986 in Mexico en voor altijd een held werd voor vele Argentijnen. Maar het toont ook de keerzijde van de enorme roem en hoe de, qua karakter, zwakke mens zich in de wereld van roem, geld, luxe en adoratie maar nauwelijks staande weet te houden. En hoewel vooral een film waarin zijn glorieuze momenten als speler worden getoond (met alle excessen als gevolg), ook worden deze duidelijk mindere perioden uit Maradonna’s leven niet geschuwd. De film werd bij uitkomen een mate van oppervlakkigheid verweten, ik vind dit best wel meevallen. Het toont de valkuilen waar je na bovenmatig succes en roem in kunt trappen maar schetst ook ongebreideld plezier in het spelletje. En daar is over nagedacht. Als de regisseur een diepgravend psychologische en sociaal-maatschappelijk portret had willen maken van de persoon Maradonna was de film er heel anders uit gaan zien. Dan had hij misschien wel de intellectuelen onder de voetbal-adepten bekoord maar waarschijnlijk ook meteen de oprechte, ongecompliceerde voetbal-fan de bioscoopzaal uit gejaagd. Of er niet eens ingekregen. Kortom, ik vind ’t een fijne film en raad het iedere bewonderaar van mooi voetbalspel en een vleugje dramatiek zeker aan.  

 

Als laatste dan nog een speelfilm. Of ik het nou echt een aanrader vind weet ik niet, maar voor anderhalf tot twee uur tijdverdrijf is het best te doen. Ik heb het dan over Escape To Victory uit 1981. Toen ook de voetbal-competitie in de VS nog een behoorlijke populariteit genoot. De film heeft inmiddels een soort cult-status verkregen. Het verhaalt over een groep krijgsgevangenen in de 2e Wereldoorlog die het op zich nemen een voetbalwedstrijd te spelen tegen de Duitse kampbewaarders. Dit dient tegelijkertijd als dekmantel voor een ontsnappingspoging. Hoewel absoluut geen hoogtepunt in de geschiedenis van de cinema is het toch een uiterst vermakelijke film om tenminste één keer in je leven te zien.

 

Wat trouwens opvalt is het aantal grote namen die aan deze film meewerkten. Aan de kant van de meespelende (!) voetballers, maar ook wat betreft de regisseur en acteurs. Op de ‘director’s chair’ zat niemand minder dan John Huston die al tal van klassiekers achter zijn naam had staan (The Maltese Falcon, The Big Sleep, The African Queen) en qua acteurs deden mensen mee als Max von Sydow, Michael Caine en Sylvester Stallone. Onder de voetballers komen we namen tegen als Bobby Moore (wereldkampioen met Engeland in 1966), Osvaldo Ardilles (wereldkampioen met Argentinië in 1978), Belgisch international Paul van Himst, oud-ajacied Co Prins en de beroemdste van allemaal, ster-speler en driemaal wereldkampioen met Brazilië, Pelé. Alleen het kijken naar al die oude voetbalhelden en acteer-giganten maakt deze rolprent het aanzien waard.

 

En de verdere (voetbal)boeken dan? hoor ik u denken. Daar is helaas geen ruimte meer voor. Ik heb de limiet van het aantal te schrijven woorden en regels reeds overschreden. Volgende keer zal ik weer aandacht besteden aan een aantal mooie titels op dat gebied.

 

Beloofd.

 

Tot de volgende week.

 

Geschreven door Peter van Herp.