Peet's (Eredi)Visie - Column 23 - 21 april 2020.

Afgelopen week kreeg ik, nadat mijn column verscheen bij de reactie, te horen dat het wel erg veel over Johan Cruijff ging. Maar dat is niet verwonderlijk. Over 's lands beste voetballer aller tijden zijn nu eenmaal, verhoudingsgewijs, de meeste boeken verschenen. 

En dus zou het van mijn kant vreemd zijn als ik daar niet over schrijf. “Ja, want “, was de volgende opmerking van die zelfde persoon,“ je column gaat toch ook, en met name, over de regionale BVO’s ?”

 

Ja, dat is inderdaad het geval, maar als je het hebt over voetbal-lectuur dan zou het toch gek zijn als je je alleen maar beperkt tot Sparta, Feyenoord, Excelsior en FC Dordrecht. Toch? Niets ten nadele van de boekwerken over deze clubs en hun spelers, trainers, bestuurders enz. maar dan ben je in deze tijd waarin je toch de meeste tijd doorbrengt in je privé-omgeving redelijk gauw klaar.

 

Ik bedoel, ik heb toch al veel boeken in die richting genoemd en behandeld. Daarom wil ik toch nog een aantal titels noemen met betrekking tot ‘ El Salvador ‘, zoals Cruijff vanaf de jaren ’70 in Spanje, en vooral Catalonië, genoemd werd. Toch? Nee, fout dus. Dat feit is een volkomen eigen leven gaan leiden. En volledig verdraaid. Dus daarom even kort de juiste achtergrond betreffende deze bijnaam. Het was vooral de Nederlandse pers die hem die bijnaam toedichtte. Natuurlijk vanwege het feit dat hij FC Barcelona en hun fans verloste van het juk van de jarenlange dominantie van Real Madrid (en de politieke lading die daarmee samen viel). Door de eerste ‘clash’, sinds zijn komst, met de club uit de hoofdstad die uitmondde in een 5-0 (!) overwinning in, notabene, het Santiago  Bernabeu-stadion van de club van legendes als Alfredo Di Stefano, Francisco ‘Paco’ Gento en Ferenc Puskas, werd voor velen de definitieve ommekeer gestalte gegeven. Maar om hem daarvoor een naam te geven die toch een bijbelse connotatie had was iets wat zelfs de doorgaans vaak dweperige, lyrische Spanjaarden te ver ging. Daarvoor is het land toch echt iets tè katholiek. Had Johan Cruijff (dezelfde initialen als…jawel. Ook daarom vond men het in Nederland een mooie, poëtisch klinkende bijnaam natuurlijk) dan geen bijnaam in Catalonië en Spanje? Jawel, maar die was veel minder hoogdravend en eigenlijk ook meer liefkozend: El Flaco, oftewel De magere. Ook wel logisch natuurlijk. U begrijpt wel waarom, neem ik aan.

 

Om dan maar gelijk de lijn door te trekken van Cruijff en (FC) Barcelona: journalist Edwin Winkels heeft een aantal jaren geleden een heel aardig boek geschreven over Cruijff’s tijd in de stad en bij de club als trainer.

De geboren Utrechtenaar is van huis uit geen schrijver over sport en dus voetbal maar woont en werkt al jarenlang in de hoofdstad van Catalonië. En in die hoedanigheid kruiste hij op een gegeven moment eind jaren ’80 toch het pad van de vedette en heeft hem behoorlijk goed leren kennen. Het boek beschrijft vooral zijn relatie met Cruijff en verhaalt ook mooi over het karakter van de vele Barca-fans en het leven in de stad. En doet dat, vind ik, op pakkende wijze. En alhoewel niet in de stad aanwezig ten tijde van JC’s eerste periode bij de club met dat gigantische Camp Nou-stadion (ik heb er ooit een keer een kort bezoek aan mogen brengen) beschrijft hij voor de volledigheid ook in het kort die periode. Ben je Cruijff-adept, dan is het zeker de moeite waard.

 

Is Winkels’ boek objectief? Ja en nee. Ja, in die zin dat bepaalde karaktereigenschappen van de Amsterdammer die hij, Winkels dus, als minder positief beschouwt ook gewoon worden beschreven. Nee, omdat de totale indruk die je als lezer krijgt er toch één is van bewondering voor zijn hoofdpersoon. Is dat erg? Nee, omdat het geheel zeer plezierig leest en het een gezonde afstand bewaart tot het hoofdonderwerp. Het wordt nooit te klef. Iets wat minder het geval is bij de boeken van Bert Hiddema. Deze schrijver heeft zelfs in 2017 (het jaar dat Cruijf 70 had geworden), ’18 en ’19 een heuse trilogie gepubliceerd over Cruijff. Getiteld De jonge jaren, De magere jaren en het laatste deel, De gouden jaren. Chronologisch worden hierin in drie perioden Cruijff’s carrière uitvoerig beschreven. De stijl is dweperig tot één van totale bewieroking. Hiddema heeft ook binnen die stijl een vorm gekozen die vooral Amsterdammers en echte Cruijf-insiders zal aanspreken. Niettemin, ik als Feyenoorder vond de boeken ook zeker de moeite waard. Vooral voor het gevoel van detail wat de schrijver aan de dag legt. En de bijna verhalende, en dus niet journalistieke beschouwende, manier van vertellen is iets wat mij wel aanspreekt. Alsof het een roman betreft.

 

Een boek over de legendarische ’nr. 14’  die vooral zijn periode beschrijft na zijn carrière in het voetbal is ‘ Cruijff en Johan ‘ van Ferenc van der Vlies met als co-auteur Cees Butter. Het boek heeft als uitgangspunt om de persoonlijke mens (Johan) achter het voetbal-icoon (Cruijff) te laten zien. Van der Vlies heeft hierbij als extra troef in handen dat hij min of meer eigenhandig verantwoordelijk was voor het opnieuw in de markt zetten van het merk Cruyff Sports (met een Y dus!) en de lijn aan producten die hierbij werden verkocht. In die hoedanigheid heeft hij de ex-speler van Ajax, Oranje, FC Barcelona en bijvoorbeeld ook Feyenoord, behoorlijk goed leren kennen. Over de Feyenoord-periode van ‘ El Flaco straks meer. Hoewel van der Vlies’ nauwe contact met zijn hoofdpersoon ook makkelijk had kunnen ontaarden in weer een hagiografisch lezen is dat niet het geval. In alle eerlijkheid beschrijft hij ook zijn bij tijd en wijle moeilijke omgang met Cruijff. Het is een prettig leesbaar geheel en, zoals Hugo Borst in een lovende recensie al schreef, dichter bij Cruijff ben je nooit gekomen. Echt een andere, frisse benadering dan die in veel andere JC-biografieën.

 

Het volgende boek waar ik het over wil hebben, en ja, dat is er ook weer een over Cruijff, heet “ Het laatste seizoen “ met als subtitel  “ Het andere gezicht van Johan Cruijff “. Het boek van Arthur van den Boogaard handelt over Cruijff’s laatste seizoen als actief voetballer.

En dat was, de cover maakt het voor onwetenden meteen duidelijk, dus bij Feyenoord. Hoe de voetbal-virtuoos min of meer werd afgedankt door Ajax-voorzitter Ton Harmsen (de blunder van zijn leven, wat mij betreft), ondanks twee landstitels sinds zijn terugkeer in De Meer in 1981 en in het jaar dat hij 36 (!) werd een contract voor één jaar tekende in De Kuip. Hoewel de titel doet vermoeden dat het uitsluitend die periode behandelt heeft de schrijver ervoor gekozen om die hoofdstukken om en om af te wisselen met die over het begin van zijn carrière en dan chronologisch door te gaan tot aan het moment dat hij voor Feyenoord tekent. Al met al best een aparte vorm om zo een verhaal te vertellen. Het beviel mij wel. Het voorkomt een bepaalde langdradigheid. Zeer afwisselend dus. Hoewel dit boek ook in superlatieven uitblinkt, durft de schrijver ook Cruijff’s onzekerheden, die hij wel degelijk ook had en ook best nog in behoorlijke mate, uitvoerig te beschrijven. Het maakt de mens achter de voetballer alleen maar sympathieker. In dat opzicht verdient Arthur van den Boogaard een pluim. Een duidelijk minder aspect aan de vorm die van den Boogaard hanteert, is dat hij sommige opgevoerde personages op een haast, voor hedendaagse normen, kinderlijke dan wel ouderwetse manier benoemt. Als hij het bijvoorbeeld in het begin van het boek heeft over Rinus Michels noemt hij hem steevast ‘Meneer Michels’. In het begin is dat nog begrijpelijk, als hij daarbij Cruijff als 17-jarige nog onervaren jongen opvoert en deze op die manier tegen de Ajax-trainer zou kunnen hebben aangekeken. Als we zo’n zeven, acht jaar verder zijn in het verhaal en Cruijf al is uitgegroeid tot een behoorlijk ervaren, zeer belangrijke en vooral mondige voetballer in het Ajax van die jaren doet het uiterst vreemd aan dat hij, de schrijver, het in het geval van Michels nog steeds heeft over ‘meneer’ Michels. Deze soms wat kneuterige vorm kom je verder in het boek ook regelmatig tegen. Als het bijvoorbeeld over Willem van Hanegem gaat, heeft hij het steevast over ‘die kromme’ en in ieder geval niet over De Kromme zoals van Hanegem’s bijnaam eigenlijk luidde. Alsof de schrijver constant over Cruijff schrijft in de eerste persoon. Dat is op zich niet erg als van den Boogaard daar consequent in was geweest. Iets wat hij dus niet doet. En dat irriteert soms. Maar al met al lees je het boek in één ruk uit. Het is wel zeer meeslepend en vlot geschreven. Geen al te lange uiteenzettingen. Toch een aanrader dus wat mij betreft.

 

Het laatste boek, en ook echt het allerlaatste boek over Cruijf, wat ik hier wil noemen heeft de korte, simpele titel “ Johan Cruijff, De Biografie “. De titel is behoorlijk hoogdravend. Het doet vermoeden dat de schrijver, Auke Kok, hiermee wil aangeven dat het alle andere Cruijff-boeken in één klap overbodig maakt. Dat zijn boek het definitieve standaardwerk is. En dat lijkt toch enigszins overdreven. Want met zijn drie delen over de Betondorper zou je zeggen dat, als er al over een definitief werk moet worden gesproken, die eer toch eerder uitgaat naar Bert Hiddema’s trilogie. Maar als je het maar bij één boek wil houden dan is het boek van Kok een must. En het is ook nog eens lekker dik. Als je daarvan houdt, dan zou ik zeggen, ga het lezen.

 

Het boek heeft trouwens ook al voor de nodige commotie gezorgd. Vooral de passages over Cruijff als rokkenjager, tegengesteld aan zijn imago als brave, hondstrouwe echtgenoot, zette vooral bij Cruijf-devoten als bijvoorbeeld Frits Barend kwaad bloed. Deze heeft JC eigenlijk al tijdens zijn leven zowat heilig verklaard. Het komt in ieder geval vaak over alsof de overleden voetbal-grootheid geen kwaad kon doen en geen enkele minder positieve eigenschap bezat in de ogen van de ervaren journalist. Voor een wat jonger publiek misschien nog wel bekend van zijn t.v-programma’s met collega en vriend Henk van Dorp. Anderen, overigens ook Cruijff zeer goed gezinden als Johan Derksen en Jaap de Groot (notabene ghostwriter van JC’s autobiografie en van diens columns voor De Telegraaf) waren een stuk milder. Niets menselijks was hun vriend vreemd, zo redeneerden zij. De korte passage (eigenlijk niet meer als een paar zinnen) over Cruijff’s honorarium van één miljoen euro voor gedane diensten van de Cruijff Foundation (door hemzelf geïnitieerd) deed veel meer stof opwaaien. Volstrekte leugens, beweerden woordvoeders van de Foundation. Hij kreeg een, symbolisch bedoeld, bedrag voor bijvoorbeeld reiskosten (wat hij als miljonair natuurlijk allemaal makkelijk zelf kon bekostigen, vandaar ook de duiding dat het om een symbolisch gebaar ging), en dat kwam zelfs ook maar niet in de buurt van het door Kok genoemde bedrag. Het was bedoeld als een gebaar van dankbaarheid, zo legde de Foundation uit. Hoewel Kok er prat op ging deze informatie te hebben verkregen en gestaafd van en bij een aantal, volgens hemzelf betrouwbare bronnen, moest de gewraakte passage toch worden verwijderd uit latere persingen van het boek. En bij de eerste werd dan ook een speciaal inlegvel gevoegd met de ontkennende verklaring over dit, volgens de Foundation, onjuiste feit (het zou trouwens ook tot onnodige imago-beschadiging van Cruijff leiden, aldus opnieuw de Foundation). En omdat Kok logischerwijs zijn bronnen wilde beschermen en dus niet met namen kwam, ging hij hiermee, hetzij onder protest, akkoord. Geen goede publiciteit voor het boek is de algemene gedachte, maar het kan ook juist stimulerend werken. Dat is vaker het geval geweest. Al met al vind ik het nog steeds een boek wat het lezen waard is. Zelf heb ik  overigens een nog ongecensureerde versie, dus met die gewraakte Foundation-honorarium-passage. Wel zo bijzonder.

 

Na deze column vol Cruijff-biografieën, beloof ik plechtig volgende week zijn naam niet meer te noemen en boeken van en over andere voetbal-beroemdheden te gaan behandelen. Op mijn erewoord! 

 

Tot de volgende week! 

Geschreven door Peter van Herp