Peet's (Eredi)Visie - column 28 - 25 mei 2020.

Jóoooooozseeeef!!! Met deze langgerekte kreet werd de populairste Feyenoord-spits van de laatste, pakweg, 40 jaar steevast aangemoedigd door de supporters in de Kuip.

 

Hij was en is nog steeds een held van het legioen. Kortgeleden kwam dan de vierde special van het blad van Feyenoord Supporters Vereniging De Feijenoorder uit met hem in de hoofdrol. Het was de bedoeling dat er voor die uitgave ook een bezoek aan hem zou worden gebracht in Hongarije door een aantal redactieleden, maar uiteraard ging dat helaas niet door vanwege de gesloten landsgrenzen ten gevolge van de Corona-crisis. Niettemin is die special er toch gekomen en is het weer een mooie uitgave geworden. En zo is József Kiprich toch alle, in mijn ogen terechte, eer aangedaan. 

 

Maar wat is nu de definitie van een echte held voor voetbal-supporters? Is dat een aanvallende voetballer die over een fabelachtige techniek beschikt en de meest briljante acties uitvoert en punten voor je team pakt? Zeker, dat soort spelers kunnen supporters bekoren. Maar zijn het ook de noeste werkers in de verdediging die de boel achterin dicht houden en je favoriete elftal op die manier behoeden voor puntverlies? Ja, ook die kunnen uitgroeien tot echte publiekslievelingen. De briljante strategen op het middenveld die ‘ de lijnen uitzetten ‘ zogezegd en het spel verdelen dan? Ook voor hen is de waardering vaak zeer groot. De keeper die over genoeg persoonlijkheid beschikt om de opkomende spitsen angst in te boezemen en echt te heersen in hun strafschop gebied. Ook zij worden regelmatig luid toegezongen door de dol-enthousiasten op de tribunes. 

 

Toch is het vaak niet van te voren te bepalen wie een favoriet, een held dus, wordt bij het voetbal-minnend volk. Of een anti-held als het ware. Iemand die ook grootse daden verricht, maar dat niet uitstraalt of specifiek daarvoor gewoon niet de juiste uitstraling heeft. József was zo iemand. Bepaald niet een ‘pretty boy’ zoals bijvoorbeeld de gladgeschoren en keurig gekapte Dennis Bergkamp. De Ajax-spits uit diezelfde periode die vaak ook nog eens een echte bal-tovenaar bleek. De Hongaar had eerder de bouw van havenarbeider of landbouw-arbeider. József stak een arm in de lucht na een met doelpunt bekroonde actie,

slaakte een zucht (of nog beter een ‘puf’, weet u nog?), haalde z’n schouders op en sjokte weer verder het veld over tot hij het tijd vond om weer eens in actie te komen. Nou moet men, zij die die tijd niet bewust hebben meegemaakt, niet denken dat József een luie speler was. Zeker niet, maar hij was ook niet echt een trainingsbeest en beschikte dus ook niet over een enorme top-conditie. Nee, en daarom koos de Hongaar zeer specifiek zijn momenten om van belang te zijn. En als dat gebeurde dan was dat vaak toch ook smullen

geblazen. Nee, voor hem geen pirouettes á la de al genoemde Bergkamp of slepende passeer-bewegingen als de natuurlijk ook geniale Marco van Basten.

 

Die was trouwens net geen tijdgenoot meer qua Eredivisie-voetbal. Toen Josef de Kuip voor het eerst betrad vierde “ San Marco “ al z’n eerste triomfen in het San Siro-stadion bij AC Milaan (of Milan als u dat prefereert). Maar dit terzijde. Nee, voor József gold bovenal de functionaliteit van de actie. Maar er waren dus van die momenten dat die acties de adem benamen van de supporters van de club aan de Maas. Dan zagen die er toch echt oogstrelend uit. De twee die mij het meest helder voor de geest staan zijn allebei uit het seizoen 1992-’93. De laatste twee wedstrijden van het seizoen notabene. Na 32 speelronden stond Feyenoord

1 punt achter op koploper PSV. Maar de club van, destijds, trainer Willem van Hanegem, die door voormalig ploeggenoot Wim Jansen, die toen inmiddels technisch directeur was geworden, dat seizoen was binnengehaald, had nog één wedstrijd te goed. Winst tegen MVV zou de koppositie betekenen. Het werd blijkbaar als zo’n bijzondere gebeurtenis beoordeeld dat de NOS besloot de wedstrijd live uit te zenden. Ik kan het mij nog goed herinneren, ik zat aan de buis gekluisterd! In mijn eentje helaas. Waar was mijn pa die avond eigenlijk? Ik zou het niet meer weten. Zonder twijfel had hij anders meegekeken als ras-supporter uit ‘Zuid’. Dit was best uniek want natuurlijk ver voor het tijdperk dat de abonnee-tv zenders daarvoor de exclusieve rechten binnensleepten en dat nu wekelijks doen. Het was de Hongaar, die door de pers inmiddels ook wel eens de Malle Magyaar werd genoemd (als verwijzing naar zijn nationaliteit en vanwege zijn strapatsen op het veld bij tijd en wijle) die de openingstreffer scoorde door na, op aangeven van Gaston Taument, zich op magistrale wijze langs de verdediging slalomde en de doelman Jan van Grinsven kansloos liet. De meegereisde fans volledig in een staat van totale extase brengend (even voor de statistieken: Regi Blinker bracht de eindstand nog op 2-0). Een week later: 5000 (!) meegereisde supporters zien in het Oosterpark-stadion hoe Feyenoord FC Groningen volledig overklast en met 5-0 de dertiende landstitel in de geschiedenis binnenhaalt. En dat alles begon ook weer bij József! Vrijwel aan het begin van de wedstrijd pikte hij de bal na een lange pass rond het middenveld op en spurtte op doelman Bas Roorda af. Vervolgens lobde hij, toch een beetje Bergkampiaans, over hem heen het doel in. Opnieuw werd het Legioen gek.

 

Een andere herinnering, opnieuw een beslissend moment in een finale. Seizoen 1994-1995 voor de beker-winst. József stond, net als dat seizoen eerder tegen PSV voor de competitie, niet in de basis. En nu tegen FC Volendam deed hij hetzelfde als tegen PSV. Hij viel in om de strafschop te nemen. Nonchalant sjokte hij naar de penalty- stip en wachtte op het fluitje van de scheidsrechter. Nauwelijks zonder aanloop schoot ‘ De Tovenaar van Tatabánya ‘ (koosnaampje van de supporters met de verwijzing naar de club van zijn jeugd en eerste profjaren) feilloos binnen. Daarmee was de wedstrijd beslecht en de beker voor Feyenoord. Saillant detail: József wist dat dit zijn laatste wedstrijd in dienst van Feyenoord zou zijn. De directie had besloten om zijn contract niet te verlengen. Zeer tegen de zin van Kiprich zelf. Als argument gaf men aan dat gezien Jószef’s leeftijd en zijn wat mindere rendement van de laatste periode het tijd was dat de mega- populaire spits zou vertrekken om plaats te maken voor jong talent. József deelde vanzelfsprekend die mening absoluut niet. Hij wist dat hij behoorde tot de meestverdienende spelers van de selectie en dat zijn salaris dus op de begroting drukte. Hij gaf aan dat hij, desnoods als wisselspeler, nog van genoeg waarde kon zijn voor de selectie. Hij was ook bereid salaris in te leveren! Waar hoor je dat heden ten dage nog? Zo diep zat de club-liefde van de Hongaar voor Feyenoord inmiddels. 

Ook voor van Hanegem hoefde hij zeker niet weg. Stiekem was de altijd wat brommende, nurks overkomende Utrechter met Zeelands bloed van die gekke, maar af en toe ook geniale Hongaar gaan houden. Maar de clubleiding was onverbiddelijk. Toen de bekerfinale van het seizoen 1994-’95 er dan uiteindelijk op zat kreeg hij van voorzitter Jorien van den Herik (de GKL, oftewel Grote Kale Leider zoals de supporters hem gaandeweg vol bewondering en respect zijn gaan noemen) nog een mooi cadeau namens de club en werd hij

door zijn mede-spelers op de schouders genomen. Met zijn ogen vol tranen keek hij nog een keer op naar de tienduizenden ook zeer aangedane supporters en klapte. Voor de zes onvergetelijke jaren vol diepe dalen maar ook hoge pieken en de altijd hondstrouwe supporters die van hem hadden genoten. Van hem hielden zelfs. En hij op zijn beurt had van hen genoten. Van hun geestdrift en fanatisme en onvoorwaardelijke steun aan de club en zijn spelers. Van hun liefde voor hem die perfect werd gesymboliseerd in die lange aanmoedigingskreet. Jóoooooozsef! Jóoooooozsef!

 

Zelfs een mindere wedstrijd van zijn kant werd door hen met de mantel der liefde bedekt. Kom niet aan József, was het devies. Kom je aan hem dan kom je aan ons. In de Feyenoord-geschiedenis zijn slechts enkele spelers te noemen die diezelfde mate van populariteit bereikte. Uiteraard Coentje. Coen Moulijn. En zonder twijfel ook de volgens velen beste Feyenoorder aller tijden, Willem van Hanegem.’De Kromme’. Binnen de selectie waar József deel van uit maakte was bijvoorbeeld John de Wolf ook heel populair. De stoere verdediger met de lange manen en woeste baard was met name bij de vrouwen heel geliefd. En natuurlijk ook bij de (mannelijke) supporters vanwege zijn uitstekende, steeds beter wordende, kwaliteiten als onverbiddelijke verdediger die altijd voorop ging in de strijd. Maar toch, József’s populariteit oversteeg zelfs die van ‘Rambo’, zoals de wolf ook wel werd genoemd.

 

Populariteit en de status van idool, het is een ongrijpbaar iets. Er valt niet altijd met logica te bepalen wie nou in het pulletje valt en een icoon wordt. Zeker ook niet in het voetbal. Natuurlijk, je moet tegen een balletje kunnen trappen. En dat kon Josef zeker. Wie dat bagatelliseert moet toch echt nog maar eens wat mooie beelden van hem bekijken op bijvoorbeeld YouTube. Maar bij Feyenoord lijkt het vaak ook om andere dingen te gaan. Bijvoorbeeld hoe ze om gaan met de supporters. Voelen ze zich met hem verwant op enerlei manier? Of beleven ze het spelletje in hun cocoon van trainingen, wedstrijden, dollen met mede-spelers zonder verder acht te slaan op de supporters die vaak moeten buffelen en keihard werken voor dat ene uitje op Zondag. Zijn ze zich bewust van het feit dat ze, volgens, ja daar is tie weer, Willem van Hanegem, ‘het mooiste beroep van de wereld hebben’. Altijd in de buitenlucht datgene doen wat ze het liefst doen. Namelijk in propvolle stadions (niet altijd maar oké) voor een bovenmodaal salaris (ook niet altijd weliswaar maar goed) tegen die leren bal aan trappen. Willem was zich, zeker in zijn zo gloedvolle Feyenoord-jaren, er zeer bewust van. En József, zonder meer, idem dito. Hij was zich er ter dege van bewust dat hij niet alleen

speelde voor de prijzen en het meer dan goede salaris maar ook, en vooral, voor al die hondstrouwe aanhangers van die club in dat stadion aan de Maas. 

 

Ik refereerde eerder aan het feit dat hij geen fout kon doen bij de supporters. Dat toch niet elke speler van de eigen club die uitzondering- positie had merkten andere Feyenoorders des te meer. John van Loen, van Ajax gekomen en eerst geroemd vanwege zijn prestaties bij de Amsterdammers en ook in De Kuip, werd gaandeweg belachelijk gemaakt en uitgelachen. Dit was waarschijnlijk het gevolg van dat van Loen wel erg, te, vonden de supporters, overtuigd was van zijn eigen kunnen en bij het minst geringste greintje kritiek

op zijn prestaties ging klagen en jammeren in de pers. En daar moet je bij de Rotterdamse (of bij Feyenoord-supporters uit andere steden en dorpen in het land) niet mee aankomen. Om, als je zelf faalt, de schuld gaat leggen bij het feit dat je niet voldoende gesteund word door de club-aanhangers. Dan zet je kwaad bloed. Zijn dagen waren dan ook geteld en niet lang daarna vertrok hij.

 

Dit zelfde overkwam Henk Vos. Net als van Loen (en Kiprich uiteraard) ook een spits. De geschiedenis leek zich simpelweg te herhalen. Ook hij kreeg door zijn spel in het begin de handen op elkaar maar begon, waarschijnlijk door een geval van schromelijke zelfoverschatting, capriolen uit te halen die hij niet beheerste en dat ging compenseren met onbesuisde resultaat-loze acties. De spreekwoordelijke druppel was het 

feit dat hij ook nog de uiterlijke showbink wilde uithangen door, in plaats van op traditioneel zwart-witte, op fel gekleurde voetbalschoenen ging spelen. Zoveel ijdeltuiterij zonder daar echt onderscheidende prestaties tegenover te zetten was iets wat bij de supporters als een rode lap bij een stier werkte. Gevolg? Henk Vos werd uitgekotst en praktisch het stadion uit gepest.

 

Dat is waarschijnlijk ook waarom Kiprich zo geliefd was. En nog steeds is. József had simpelweg geen sterallures. Was niet hoogmoedig of verwaand. Stond altijd uiterst ontspannen en vrolijk de pers te woord. Omdat hij wist dat de supporters zo aan hun informatie kwamen. Let wel, dit was nog voor het internet en social media-gebeuren. En gaandeweg was József verknocht geraakt aan ons land. Zijn kinderen werden er geboren. Die waren eigenlijk gewoon meer Nederlands dan Hongaars. Hadden hier hun leven opgebouwd.

Met school en vriendjes enz. Hoe wrang was het dan dat hij uiteindelijk geen werkvergunning meer kon krijgen, z’n visum niet meer verlengd werd. Het destijds geldige argument dat je een speciale positie dan wel arbeidsfunctie moest hebben om hier te kunnen blijven was niet voor hem geldend, zo redeneerden de desbetreffende overheidsinstanties. Niet speciaal? Hij had wekelijks, en dat zes jaar lang tienduizenden voetbal-supporters vermaakt en verblijd! Maar men was resoluut. Kiprich moest het land verlaten. In een uiterste poging om de notabelen alsnog te vermurwen was hij, na een kort intermezzo op Cyprus, met een tijdelijk visum nog gaan voetballen in Den Bosch bij de plaatselijke FC in de eerste divisie. Wat als gevolg had dat elke Vrijdag enkele honderden Feyenoord-supporters naar Den Bosch afreisden om hun oude held aan te moedigen! Wie zich de beelden nog herinnert ziet het voor zich. Een surreëel beeld. Tussen de Den Bosch-supporters al die mensen met Feyenoord-petjes en sjaaltjes die het ‘Hand in Hand Kameraden’ aanheffen en voor elk doelpunt van de FC mee juichen. En dat alles steevast begeleidt door de overbekende aanmoediging: “ Jóoooooozsef! Jóooooooozsef! ".

 

Maar al met al mocht het dus niet baten. Uiteindelijk werd opnieuw besloten dat József ook nu geen werkvergunning kreeg en zat er voor Kiprich en zijn gezin niets anders op dan terug te keren naar zijn vaderland. Alwaar hij niet veel later nog een enkele keer werd geïnterviewd door de Nederlandse pers. Men zag een gebroken man met zijn zeer ontheemde en verdrietige vrouw en kinderen. Ze misten Nederland enorm. Maar helaas, het was niet anders. Ze moesten zich zien te redden in die troosteloze, weinig perspectief biedende omgeving. Het zou heel moeilijk worden maar zo goed en kwaad als het ging, gingen ze voort. Inmiddels zijn de kinderen praktisch volwassen en is József trainer geworden bij zijn oude club Tatabánya waar hij ook zijn laatste spelers-jaren sleet. Hij is ettelijke jaren geleden voor de Nieuwe Revu nog eens geïnterviewd. En dat had dit jaar dus weer moeten gebeuren in het kader van de magazine-special van FSV De Feijenoorder. 

Het mocht niet zo zijn maar laten we hopen dat ‘ De Tovenaar van Tatabánya ‘ (ook de titel van een door Berne van Leeuwen geschreven József-biografie waar ik al in een eerdere column over schreef) ooit weer een keer voet op Nederlandse bodem kan zetten om zodoende een bezoek te brengen aan zijn zo geliefde Kuip.

 

Tot de volgende keer!

Geschreven door Peter van Herp